Ga naar hoofdinhoud
Els (72) weet het zeker: op haar 76ste gaat ze dood. Of het nu de dag na haar 76ste verjaardag is of de dag voor haar 77ste. Precies weet de voormalig lerares Engels en Nederlands het niet, maar dat het in dat levensjaar gaat gebeuren weet ze zo zeker als twee maal twee vier is. Ze heeft de nodige voorbereidingen al getroffen.

“Om mijn hals draag ik een penning met mijn naam en de tekst ‘Reanimeer mij niet’. Op mijn nachtkastje staat duidelijk zichtbaar de volledig ingevulde niet-behandelverklaring van de NVVE en die bevestig ik ieder jaar bij de huisarts. Ook mijn wensen voor de uitvaart liggen daar. Mijn kinderen, twee zoons en een dochter, hoeven alles alleen nog maar uit te voeren. Alles heb ik klaarliggen, behalve het laatstewilmiddel. Het lukt me niet om dit op internet te vinden. Het zou zo’n rustige gedachte zijn dat middel ook in mijn nachtkastje te hebben. Ik vond het een geweldig idee om dit in kluisjes te verstrekken aan leden die een half jaar lid waren en het is zó jammer dat de coöperatie hierin is gedwarsboomd door het Openbaar Ministerie.

Zelf zal ik mijn dood omarmen als het zover is. Ik kies voor kwaliteit van leven en niet voor kwantiteit. Daarbij wil ik zelf bepalen wanneer het voor mij aanvaardbaar is om te blijven leven en wanneer niet. Dat een arts hierover een oordeel mag geven, vind ik ronduit belachelijk. Want wie anders dan ikzelf kan invullen wat dat voor mij betekent? Voor ieder mens is het immers anders. De een zal het verlies van verstand of spraak niet meer acceptabel vinden om in leven te blijven, de ander een fysiek gebrek.

Ik wil uit dit leven stappen vóórdat ik een last ben voor de mensen die mij omringen. Mijn kinderen hebben soms moeite met mijn voornemen en een van mijn kleinkinderen probeerde me op andere ideeën te brengen. Maar hij schrok zichtbaar van de pijnlijke consequentie van zijn wens: als hij de verantwoordelijkheid neemt voor het in leven houden van zijn oma moet híj later mijn billen afvegen. Overigens zal ik de kinderen vertellen wanneer ik eruit stap en als ze dat willen, mogen ze erbij zijn.

Voor het zover is, moet ik een hoop activiteiten afbouwen, want ik heb een druk leven. Ik vind het belangrijk om me nuttig te voelen. Zo ben ik een actief parochielid van de katholieke kerk bij mij in de buurt. Daar doe ik de pastorale wacht, zing in het kerkkoor en het uitvaartkoor, rooster lectoren in en draai buffetdienst wanneer een van de zalen is verhuurd. Ook werk ik als vrijwilliger in een hospice en geef bijles aan kleinkinderen en kinderen van vrienden. Verder brei ik dekentjes voor Oekraïne en schrijf in het kerkblad om mensen te vragen mee te doen met breien en haken voor dit goede doel. Toen er in de gang van de kerk een AED (Automatische Externe Defibrillator) werd opgehangen, was mijn eerste vraag waar de lijst hangt waarop mensen aan kunnen geven juist níét gereanimeerd te willen worden.

Ik ben niet bang voor de dood. We moeten de gangbare mening dat een zelfgekozen levenseinde verkeerd is ombuigen. Als we op onze billen blijven zitten, gebeurt er niets. Officieel is de kerk geen voorstander van een zelfgekozen levenseinde, maar dit moet iedereen voor zich weten, vind ik. Met God heb ik een prima relatie. Leven betekent voor mij logeren op aarde. Ik vertrouw erop dat ik het cadeau van het leven kan teruggeven en dat Hij of Zij mij aan het eind van de rode loper liefdevol welkom heet. Hooguit zal Hij of Zij mij een standje geven maar Zijn of Haar armen zullen om mij heen zijn zoals een ouder dat doet. Ook als je weleens wat stoms doet, krijg je altijd nieuwe kansen van een liefhebbende ouder.”

Back To Top